De Utrechtse basisschool die een leerling met Downsyndroom van school stuurde, stond in haar recht.

Het College voor de Rechten van de Mens komt tot dit oordeel in de zaak Kubo. De ouders van de inmiddels dertienjarige jongen vroegen het College te beoordelen of sprake was van discriminatie. Ze verzochten het College te onderzoeken of de school en het samenwerkingsverband waarvan de school deel uitmaakt, voldoende deden om Kubo passend onderwijs te bieden.

Kubo ging tot en met groep vijf zonder problemen naar een reguliere basisschool bij hem in de buurt. Volgens de school vertoonde hij vanaf groep zes moeilijk gedrag en werd het verschil met de andere kinderen te groot. De school startte daarom een verwijderingsprocedure en zette die toch door toen het in groep zeven weer beter ging. De ouders startten meerdere procedures om het besluit van de school aan te vechten en stapten naar de rechter. Deze concludeerde dat de basisschool de jongen van het regulier onderwijs mocht sturen. De ouders stapten vervolgens naar het College, dat gisteren tot dezelfde conclusie kwam.

VN-verdrag
De ouders vroegen het College om het handelen van de school te toetsen aan het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking. Het verdrag, dat in de zomer van 2016 in werking trad, bepaalt dat mensen met een beperking volwaardig moeten kunnen deelnemen aan de samenleving. Het verdrag geldt ook voor het onderwijs. Bij een inclusieve samenleving hoort volgens het verdrag ook inclusief onderwijs. Maar omdat het verdrag nog niet geratificeerd was toen Kubo van school werd gestuurd, besloot het College het VN-verdrag niet mee te laten wegen.

Wet gelijke behandeling
Het College toetste de situatie wel aan de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte (Wgbh/cz). Deze wet verplicht scholen te zorgen voor aanpassingen die regulier onderwijs ook voor kinderen met een beperking mogelijk maken. De basisschool van Kubo voldeed aan deze verplichting volgens het College. Verdere aanpassingen zouden “onevenredig belastend zijn voor de school.”

Samenwerkingsverbanden
Het College stelt dat de Wghb/cz uitsluitend voor scholen geldt. En niet voor samenwerkingsverbanden, wanneer zij een kind met een beperking naar het speciaal onderwijs verwijzen. Een andere taak van samenwerkingsverbanden is de verdeling van geld voor ondersteuning aan kinderen met een beperking in het regulier onderwijs. Of deze taak wel onder de Wgbh/cz valt, zegt het College niet. Als dat niet het geval is, doemt de vraag op of er voldoende wettelijke prikkels zijn die ervoor zorgen dat samenwerkingsverbanden de ondersteuningsmiddelen goed verdelen. Want bij te veel samenwerkingsverbanden blijft nu geld op de plank liggen.

Door de ratificatie van het VN-verdrag, is de overheid verplicht het Nederlandse systeem van passend onderwijs in lijn te brengen met het verdrag. Het onderwijssysteem moet stap voor stap inclusiever worden. Het is nu aan de politiek om ervoor te zorgen dat kinderen met en zonder beperking of chronische ziekte, zoveel mogelijk de kans krijgen om samen naar school te gaan.

Lees hier het oordeel van het College voor de Rechten van de Mens

Bron: (Ieder(in)